stud
bud
Sign up
Log in
Home
Library
Explore
SAT
More
Methoden en Technieken van Onderzoek OU quiz1 Flashcards | StudBud
Explore
/
Methoden en Technieken van Onderzoek OU quiz1
Methoden en Technieken van Onderzoek OU quiz1
99 terms
·
StudBud Administration
·
6 plays
Imported from external platform
Flashcards
99 cards
F
Practice quiz
P
Host live
L
Questions
99
Answers
1
X approach does not rely on identifying an existing theoretical position.
Inductief
Deductief
Evaluative
Explanatory
2
Binnen dezelfde fase toepassen van kwalitatieve en kwantitatieve methoden betreft:
Sequential explanatory
Concurrent
Sequential multi-phase
Sequential exploratory
3
'Methodology' betreft:
De theorie hoe men in de toekomst research ondernomen moet worden.
Technieken en procedures hoe men moet onderzoeken.
Technieken en procedures hoe men richting de toekomst moet onderzoeken.
De theorie hoe research ondernomen moet worden.
4
Externe validiteit betreft:
Met onze waarneming op een juiste manier de begrippen, variabelen afdekken.
De vraag naar causaliteit.
Betrouwbaarheid.
Generaliseerbaarheid.
5
Mode 1 knowledge creation Gibbons et al. (1994) houdt in:
Kennis genereren en de context van en toepassing van het onderzoek meenemen
Kennis genereren waarbij de toepassing ervan minder van belang is.
Geen van de antwoorden is correct.
Kennis genereren waarbij er een machtsverhouding het onderzoek beinvloedt.
6
'How has the corporate rebranding strategy affected consumer attitudes' is als onderzoeksvraag met name:
exploratory
explanatory
descriptive
evaluative
7
Een voorbeeld van non-response is:
In Lutjebroek voeren alleen mensen met een uitkering vragenlijsten in.
In Laren geven jongeren alleen stoere antwoorden.
Alle antwoorden zijn incorrect.
In Zwolle is men bang dat de systemen voor vragenlijsten niet anoniem zijn.
8
(Causale) beperkingen van theorie vallen volgens Whetten (1989) onder:
Geen van de bovenstaande antwoorden is correct.
What.
Why.
Who, where and when.
9
Constructvaliditeit betreft:
De vraag naar causaliteit.
Met onze waarneming op een juiste manier de begrippen, variabelen afdekken.
Stabiliteit van onderzoeksresultaten.
Generaliseerbaarheid.
10
Wanneer eerst kwantitatieve en dan kwalitatieve methodologie wordt ingezet, spreekt men van.
Sequential explanatory
Sequential multi-phase
Sequential exploratory
Concurrent
11
Interne validiteit betreft:
Generaliseerbaarheid.
Met onze waarneming op een juiste manier de begrippen, variabelen afdekken.
Betrouwbaarheid.
De vraag naar causaliteit.
12
Geldige deductieve redeneervormen zijn:
A → B [A] ergo: B
A → B [-A] ergo: -B
Geen van de antwoorden is correct.
A → B [B] ergo: A
13
Toegepast managementwetenschappelijk onderzoek heeft primair een impact op beleid en praktijk.
Waar.
Niet waar, dit betreft constructivistisch onderzoek.
Niet waar, dit betreft fundamenteel onderzoek.
Niet waar, dit betreft interpretivistisch onderzoek.
14
Een voorbeeld van een sociaalwenselijk antwoord is:
In Laren geven jongeren alleen stoere antwoorden.
In Lutjebroek voeren alleen mensen met een uitkering vragenlijsten in.
In Zwolle is men bang dat de systemen voor vragenlijsten niet anoniem zijn.
De onderzoeker selecteert zelf onderwerpen waar die een sterke mening heeft
15
Een onderzoeker betaalt respondenten om mee te doen aan zijn onderzoek.
Betrouwbaarheidsprobleem.
Constructvaliditeitsprobleem.
Extern validiteitsprobleem.
Intern validiteitsprobleem.
16
Archival en documentary research put uit:
Secundaire bronnen
Open bronnen
Primaire bronnen
Tertiare bronnen
17
Research bevat ten minste:
Het doel om ergens achter te komen staat duidelijk vermeld.
De data wordt systematisch geinterpreteerd.
Alle drie antwoorden zijn correct.
De data wordt systematisch verzameld.
18
Moderator betreft:
Een variabele (B) waarbij men het effect meet wanneer variabele A verandert
Een nieuwe variabele die de aard van de relatie tussen IV en DV beïnvloedt
Geen van de antwoorden is correct.
Een variabele (A) die men aanpast om het effect te meten op variabele B
19
Een variabele (B) die het effect van variabele A naar variabele C zendt of doorgeeft noemt men:
Mediating
Geen van de antwoorden is correct.
Dependent
Indepent
20
Volgens Stake (2005):
Heeft een verklarende case study een inductieve aanpak.
Is het koppelen van de case study aan 'theory' nodig.
Heeft een verklarende case study een deductieve aanpak.
Is het koppelen van de case study aan 'theory' onnodig.
21
Een case study naar de werking van de onderdelen van het pak in West-Europa van de snaveldokter zou zijn:
Embedded en multi case.
Holistic en single case.
Embedded en single case.
Holistic en multi case.
22
Een variabele A die men aanpast om het effect te meten op variabele (B), dan noemt men variabele (B)
Geen van de antwoorden is correct.
Indepent
Dependent
Mediating
23
Mode 2 knowledge creation Gibbons et al. (1994) houdt in:
Onderzoek waarbij het welzijn van personen voorop staat, niet de winsten.
Kennis genereren en de context van en toepassing van het onderzoek meenemen
Kennis genereren waarbij de toepassing ervan minder van belang is.
Kennis genereren waarbij er een machtsverhouding het onderzoek beinvloedt.
24
Wanneer men drie fases of meer toepast spreekt men van:
Concurrent
Sequential exploratory
Sequential multi-phase
Sequential explanatory
25
Iemand die een enquête invult bij Shell maakt een fout door alleen A in te vullen.
Betrouwbaarheidsprobleem.
Extern validiteitsprobleem.
Constructvaliditeitsprobleem.
Intern validiteitsprobleem.
26
Een variabele (A) die men aanpast om het effect te meten op variabele B,
Geen van de antwoorden is correct.
Dependent
Mediating
Indepent
27
Welke van de onderstaande problemen bedreigen de validiteit?
Participant error.
Researcher error.
Researcher bias.
Geen van de antwoorden is correct.
28
Wanneer eerst kwalitatieve en dan kwantitatieve methodologie wordt ingezet, spreekt men van.
Concurrent
Sequential multi-phase
Sequential exploratory
Sequential explanatory
29
'a systematic body of knowledge grounded in empirical evidence which can be used for explanatory or predictive purposes’
Is peer-reviewed wetenschappelijke literatuur volgens Saunders.
Is alle wetenschappelijke literatuur volgens Saunders.
Is theorie volgens Saunders.
Is op empirische data gebaseerde wetenschappelijke literatuur.
30
Het research practice gap tussen onderzoekers en managers is volgens Rousseau (2006):
Feit dat managers de informatie uit research niet gebruiken in praktijk.
Het gevolg van schrijfstijl en doel.
Het gevolg van de verschillende activiteiten die beiden uitvoeren.
Feit dat informatie uit de praktijk niet gebruikt wordt door onderzoekers.
31
Mode 0 knowledge creation Bresnen en burrel (2012:25) houdt in:
Kennis genereren en de context van en toepassing van het onderzoek meenemen
Geen van de antwoorden is correct.
Kennis genereren waarbij er een machtsverhouding het onderzoek beinvloedt.
Onderzoek waarbij het welzijn van personen voorop staat, niet de winsten.
32
Wetenschap is waarheidsgetrouw en is uit op waarheidsvinding.
Wel waarheidsgetrouw, niet uit op waarheidsvinding.
Niet waarheidsgetrouw, wel uit op waarheidsvinding.
Beide wel.
Beide niet.
33
Het criterium 'specificity' wil zeggen
Geen van de bovenstaande antwoorden is correct.
The purpose is clear and well understood, and the steps needed to fulfil it
Product of the research objective will be evident when it has been achieved
The meaning of the research objective is clear and unambiguous
34
Mortality als bedreiging voor de validiteit houdt in:
De impact van sterfgevallen van subjecten tijdens het onderzoek.
De impact van sterfgevallen van researchers/staff tijdens het onderzoek.
De impact van terugtrekkende subjecten op het onderzoek.
Een 'event' welke de perceptie van subjecten verandert.
35
Inductie betreft:
De zeldzame vorm van redeneren binnen de wetenschap.
Een manier van redeneren waarbij uit een n waarnemingen een conclusie komt.
A → B [A] ergo: A
A → B [B] ergo: B
36
Bij het aannemelijk maken van een causaal verband:
Moet de vermeende oorzaak covariëren met het gevolg.
Moet de oorzaak chronologisch eerst optreden.
Alle antwoorden zijn correct.
Het verband is niet ontstaan door een andere variabele dan de oorzaak.
37
De filosofische benadering waarbij een wetenschapper minder ontvankelijk is voor andermans methodologische afwegingen is
Negativisme
Pluralisme
Unitarisme
Pragmatisme
38
'Method' betreft:
Het onderdeel in een onderzoek waar de kennisleemte (gap) staat.
De theorie hoe research ondernomen moet worden.
Technieken en procedures hoe men moet onderzoeken.
Het onderdeel in een onderzoek waar de kwalitatieve onderzoeksmethode staat
39
Ongeldige deductieve redeneervormen zijn:[gegeven premisse tussen haakjes]
A → B [-A] ergo: -B
A → B [B] ergo: A
Alle antwoorden zijn correct.
A → B [-B] ergo: B
40
Een verschil tussen Basic (fundamenteel) research en (toegepast) Applied research is:
Basic research: findings of significance to society in general.
Basic research: undertaken by variety of people including organisations.
Basic research: undertaken by people based in academia.
Basic research: tight time scales.
41
Door het verkeerd gebruik van SPSS denkt de onderzoeker een causaal verband te hebben ontdekt, terwijl dit correleert.
Betrouwbaarheidsprobleem.
Externe validiteitsprobleem.
Interne validiteitsprobleem.
Geen van de antwoorden is correct.
42
Een voorbeeld welke niet validiteitsprobleem is:
Alle antwoorden zijn incorrect.
In Zwolle is men bang dat de systemen voor vragenlijsten niet anoniem zijn.
Het onderzoek is niet betrouwbaar.
In Lutjebroek voeren alleen mensen met een uitkering vragenlijsten in.
43
Met Valorisatie bedoelt men voor wetenschappelijke onderzoeken:
Causaliteit.
Onbevooroordeeld.
Betrouwbaarheid.
Maatschappelijke relevantie.
44
Een voorbeeld van zelf-selectie is:
In Zwolle is men bang dat de systemen voor vragenlijsten niet anoniem zijn.
In Lutjebroek voeren alleen mensen met een uitkering vragenlijsten in.
De onderzoeker selecteert zelf onderwerpen waar die een sterke mening heeft
In Laren geven jongeren alleen stoere antwoorden.
45
I. Een probleem met de validiteit brengt een probleem met de betrouwbaarheid met zich mee en II. vice versa.
De stellingen zijn beide waar.
Enkel stelling II is waar.
De stellingen zijn beide onwaar.
Enkel stelling I is waar.
46
Huff en huff (2001) stellen dat mode 3 kennis generatie is:
Verder kijken dan mode 2 naar de gevolgen van je onderzoek. (Meta-analyse).
Onderzoek waarbij het welzijn van personen voorop staat, niet de bedrijven.
Onderzoek waarbij de welvaart van personen voorop staat, niet de bedrijven.
Verder kijken dan mode 1 naar de gevolgen van je onderzoek. (Post-analyse)
47
Een verschil tussen Basic research en Applied research is:
Applied research: findings only relevant to manager/organisation.
Applied research: results in universal principles relating to a process.
Applied research: flexible time scales.
Applied research: objectives determined by researcher.
48
Concepten en variabelen vallen volgens Whetten (1989) onder:
Why.
Geen van de bovenstaande antwoorden is correct.
How.
Who, where and when.
49
Popularist science kenmerkt zich door: (TM is theoretical and methodological rigour en PR is practical relevance)
High TM, low pr.
High TM, high pr.
Low TM, low pr.
Low TM, high pr.
50
Prior (2007) geeft aan dat archival en documentary research uit de bronnen ook vooral de volgende conclusie kunnen komen
Hoe de bronnen gebruikt worden in de organisatie.
Wat er benadrukt wordt.
Alle antwoorden zijn correct.
Niet enkel wat er staat, maar ook wat weggelaten is.
51
Een voorbeeld van een validiteitsprobleem is:
De onderzoeker selecteert zelf onderwerpen waar die een sterke mening heeft
Alle antwoorden zijn correct.
In Lutjebroek voeren alleen mensen met een uitkering vragenlijsten in.
In Zwolle is men bang dat de systemen voor vragenlijsten niet anoniem zijn.
52
Deductie is sterker wanneer Stelling I: de regelmatigheden onder verschillende omstandigheden zijn waargenomen.
Dit betreft inductie, dan is de stelling waar.
Onwaar.
Waar.
Dit betreft inductie, dan is de stelling onwaar.
53
De modererende variabele is:
Een variabele die de relatie beïnvloedt tussen twee andere variabelen.
Een covarierende variabele.
Een non-covarierende variabele.
Een variabele die de relatie niet beïnvloedt tussen twee variabelen.
54
Binnen de managementwetenschappen is de meest gangbare redeneervorm:
Inductief.
Deductief.
Kwalitatieve analyse.
Kwantitatieve analyse.
55
Falsificatie betreft:
Zonder bewezen tegendeel, gaat men ervan uit dat de hypothese klopt.
Zonder bewezen tegendeel, gaat men ervan uit dat de hypothese niet klopt.
Bij een hoog aantal waarnemingen is de hypothese betrouwbaar (5%).
Bij een hoog percentage van de populatie is de hypothese betrouwbaar (5%).
56
Volgens Yin (2018) betreft de case in een case study:
Alle antwoorden zijn correct.
Een organisatie
Een proces
Een 'event'
57
Ghauri en Gronhaug (2010) doelden met systematisch op:
Gebaseerd op logische verbanden en niet op 'beliefs'.
Onbevooroordeeld uitgevoerd.
Uitgevoerd met 'Theoretical rigour' (Hodgkinson et al. 2011).
Duidelijk in de drie onderdelen van onderzoek (Walliman 2001) beschreven.
58
Bij gebrek aan tijd rondom vragenlijsten kan men altijd nog:
Monetary incentive toepassen.
De pilot-testing fase overslaan.
Het non-monetary incentive achterwege laten.
De pilot-testing fase onder vrienden en familie houden.
59
Harking wordt door Walsh et. al (2015b: 621) gedefinieerd als:
Hypotheses opstellen nadat de resultaten van het onderzoek binnen zijn.
Hypotheses opstellen voordat de data van het onderzoek binnen zijn.
Hypotheses opstellen voordat de resultaten van het onderzoek binnen zijn.
Hypotheses opstellen nadat de data van het onderzoek binnen zijn.
60
Bij verkennend onderzoek zijn veelvoorkomende beginwoorden voor onderzoeksvragen:
Wat
Wie
Waar
Waarom
61
'Why have a majority of companies not implemented CAPM?' is als onderzoeksvraag met name:
exploratory
descriptive
evaluative
explanatory
62
In FFP komt de volgende term niet voor:
Fraud
Fabrication
Falsification
Plagiarism
63
Wanneer bij een onderzoek een verkeerd afgestelde rontgen-meter standaard 15 eenheden te veel aangeeft, spreken we van:
Zowel valide als betrouwbaar.
Niet valide, niet betrouwbaar.
Niet valide, wel betrouwbaar.
Wel valide, niet betrouwbaar.
64
Een onderzoekssubject dat niet begrijpt wat 'satisfactie' betekent in een vragenlijst noemt men:
Zelf-selectie.
Interpretatieproblemen.
Sociaalwenselijk antwoorden.
Non-response.
65
Triangulation betreft:
Mixed methods gebruiken om data te combineren en conclusies te bevestigen.
Eerst kwantitatieve en dan kwalitatieve methodologie.
Mixed methods gebruiken om data te combineren en zo confidence te verhogen.
Eerst kwalitatieve en dan kwantitatieve methodologie.
66
Welke van de onderstaande termen behoort over het algemeen NIET tot verkennend onderzoek?
Flexibiliteit.
Experts interviewen.
Literatuuronderzoek.
Causaal verband.
67
Bij een positieve statistische correlatie tussen verdrinkingsdoden en films van Nicholas Cage spreken we van:
Geen causaal verband, geen samenhang.
Geen causaal verband, wel samenhang.
Zowel causaal verband als samenhang.
Wel causaal verband, geen samenhang.
68
Welke van de onderstaande termen behoort NIET tot verklarend onderzoek?
Correlatief verband.
Causaal verband.
Literatuuronderzoek.
Flexibiliteit.
69
Pedantic science kenmerkt zich door: (TM is theoretical and methodological rigour en PR is practical relevance)
High TM, low pr.
Low TM, high pr.
High TM, high pr.
Low TM, low pr.
70
Het gebruiken van meerdere theorieën om erachter te komen welke het beste past noemt men:
Theoretical triangulation.
Theoretical mediation.
Theoretical transferability.
Theoretical moderation.
71
Control betreft:
Een variabele (A) die men aanpast om het effect te meten op variabele B
Een variabele (B) waarbij men het effect meet wanneer variabele A verandert
Geen van de antwoorden is correct.
Een nieuwe variabele die de aard van de relatie tussen IV en DV beïnvloedt
72
Multi-method betreft:
Geen van de antwoorden is correct.
Het mixen van kwantitatieve en kwalitatieve methoden.
Meer dan een kwalitatieve of kwalitatieve methode, maar zonder ze te mixen.
Meer dan een kwalitatieve of kwalitatieve methode gebruiken.
73
'Methodological rigour' houdt in:
De mate van 'Puerile science'
De mate van 'Pragmatic science'
De kwaliteit van de onderzoeksmethodologie ongeacht de beschrijving daarvan
De mate van kwaliteit en sterkte van het onderzoek.
74
Saunders stelt in hoofdstuk 2: theorie is:
Duidelijk aanwezig in 'our' everyday lives.
Enigszins overeenkomend met de praktijk.
Duidelijk verschillend van de praktijk.
Enigszins verschillend van 'our everyday lives'.
75
Bouwvakkers vullen in de keet aan tafel in de lunchpauze jouw enquete in.
Extern validiteitsprobleem.
Constructvaliditeitsprobleem.
Intern validiteitsprobleem.
Betrouwbaarheidsprobleem.
76
Een variabele die het effect van de ene variabele naar de andere doorgeeft, noemt men:
Modererend.
Independent.
Geen van bovenstaande antwoorden is correct.
Mediërend.
77
Case studies zijn altijd:
Verkennend.
Inductief.
Geen van de antwoorden is correct.
Positivistisch.
78
Bryman en Bell (2011) geven aanwijzingen waar een inleiding aan moet voldoen. Welke aanwijzing hoort hier NIET bij?
Laat beperkingen van bestaande literatuur zien.
Laat zien welk kennistekort dit onderzoek opvult.
Laat zien waar de focus ligt.
Laat zien welke onderzoeksmethode gekozen is.
79
Critique of tradition is:
Geen van de antwoorden is correct.
Kritisch zijn op een dominante theorie in het veld.
Kritisch zijn op conventionele wijsheid.
Kritisch zijn op conservatieve values in het onderzoek.
80
Cronbach's alpha van 0,82 stelt
Een hoge onderlinge samenhang.
Een lage onderlinge samenhang.
Een lage externe validiteit.
Een hoge interne validiteit.
81
De purposes van research (Ghauri en Gronhaug 2010) zijn
Valorisation, validity and repeatability.
Understanding, critiscising and analysing.
Valorisation, validity and reliability.
Describing and explaining.
82
Pragmatist science kenmerkt zich door: (TM is theoretical and methodological rigour en PR is practical relevance)
Low TM, high pr.
High TM, low pr.
High TM, high pr.
Low TM, low pr.
83
Sutton & Saw (1995) stellen dat theorie het volgende niet is:
Data
Hypotheses en voorspellingen.
Diagrams
Referenties
84
Met de virtuous circle of theory and practice bedoelden Tranfield en Starkey (1998):
De cyclus tussen in de praktijk brengen en daar weer onderzoek naar doen.
Enkel na voldoende onderzoek in de praktijk inbrengen.
Eerst onderzoeken dan in de praktijk inbrengen.
Eerst in de praktijk inbrengen, dan onderzoeken.
85
Bij archival research is een van de belangrijkste vragen:
Betreft de methodologie holistic of embedded?
Betreft het open bronnen of fysieke bronnen?
Welk causaal verband kan er gelegd worden?
Wat ontbreekt er in de bronnen?
86
Saunders (2011) geeft dat managers de volgende mening over onderzoek(ers) hebben:
(Source of) substantive theory building.
(Source of) usable knowledge.
Disdain of researcher.
Deprecate or ignore.
87
Wanneer een onderzoek een snapshot geeft van de stand van zaken op een bepaald moment noemen we dit:
Embedded.
Cross-sectional.
Longitudinal.
Holistic.
88
Volgens Walliman (2011) betreft research in ieder geval niet:
Herordenen van feiten of informatie zonder interpretatie daarvan.
Een term waarmee je enkel je product of idee wil promoten.
Feiten of informatie verzamelen zonder duidelijk doel.
Alle antwoorden zijn correct.
89
Het meeste kwalitatieve onderzoek wordt geassocieerd met:
Een inductieve benadering.
De onafhankelijkheid van de onderzoeker
Een deductieve benadering.
Een positivistische benadering.
90
Betrouwbaarheid betreft:
Causaliteit.
Repeatability.
Met onze waarneming op een juiste manier de begrippen, variabelen afdekken.
Stabiliteit van onderzoeksresultaten.
91
Critique of objectivity is:
Het bekende boek van Emmanuel Kant.
Een onderdeel van coderen.
Een onderdeel van systematisch literatuuronderzoek.
Een onderdeel van multipele regressie.
92
Puerile science kenmerkt zich door: (TM is theoretical and methodological rigour en PR is practical relevance)
Low TM, high pr.
High TM, low pr.
High TM, high pr.
Low TM, low pr.
93
Double-blind peer reviewed
Een double-blind gereviewed onderzoek dat peer-reviewed is.
Een double-blind uitgevoerd onderzoek dat peer-reviewed is.
Geen van allen.
Een double blind gereviewed onderzoek.
94
Een variabele die de relatie van de ene variabele op de andere beïnvloedt noemt men
Modererend.
Mediërend.
Geen van bovenstaande antwoorden is correct.
Independent.
95
'How effective was the marketing campaign for the new range of products?' is als onderzoeksvraag met name:
descriptive
explanatory
exploratory
evaluative
96
Net voor het bedrijfsuitje naar de Efteling laten afnemen van een enquête verhoogt de kans op:
Geen van de antwoorden is correct.
Researcher error.
Researcher bias.
Participant error.
97
Een inductieve redenering is sterker wanneer er beperkte extrapolatie plaatsvindt.
Waar.
Dit betreft deductie, dan is de stelling waar.
Onwaar.
Dit betreft deductie, dan is de stelling onwaar.
98
Volgens Denzin en Lincoln (2018) wordt kwalitatief onderzoek het meeste geassocieerd met:
Interpretive philosophy.
Realist philosophy
Pragmatist philosophy
Inductive philosophy
99
Wat zijn de drie ontwerpvragen van wetenschappelijk onderzoek:
Probleemstelling en onderwerp. Argumentatie en valorisatie. Methode.
Probleemstelling en ontwerp. Argumentatie en relevantie. Methode.
Probleemstelling en onderwerp. Argumentatie en relevantie. Methode.
Onderwerp en probleemstelling. Argumentatie en validatie. Methode.